De Franse Slag: deel 7

17 mei Vlissingen – De Fransen ontruimen Walcheren

Tussen Vlissingen en Breskens voeren schepen heen en weer om de Franse soldaten in veiligheid te brengen. Vooral de Franse Chasseurs No 5, No 6, No 10, No 41 en No 42 van admiraal Platon verrichtten uitstekende diensten. Ondanks luchtaanvallen en artillerievuur van een Duitse batterij brachten zij achttienhonderd evacués naar de overkant. Ondertussen schakelde de Chasseur No 5 vijandelijke kanonnen tijdelijk uit. Vervolgens nam het oorlogsschip de getroffen marinetrawler Mardyck op sleeptouw naar Breskens.49) In de haven heerste grote wanorde. Op het terrein bevonden zich wanordelijk achtergelaten auto’s, keukenwagens, luchtdoelmitrailleurs, uitrustingstukken en ander materiaal. Paarden liepen vrij rond, andere lagen dood op de grond. Uitgeputte en angstige soldaten stonden dicht bij de kade en hoopten dat ze snel ingescheept zouden worden. Franse jachtvliegtuigen bombardeerden voor de derde keer die dag Duitse posities dicht bij de haven. Generaal Deslaurens was in een gebouw dicht bij de spoorlijn en dicteerde kapitein Bichon bevelen voor de evacuatie in de nacht van 17 op 18 mei. Terwijl Bichon alles noteerde keek Deslaurens uit het raam naar buiten en zei: ‘Te laat, de troep is al op de vlucht’. De soldaten van de havenverdediging ontdeden zich van wapen en uitrusting om zo snel mogelijk weg te komen. De weg naar de inschepingskade was nu vrij voor de vijand.

Generaal Deslaurens zag het gevaar. Vóór de bocht van de weg die naar de inschepingskade ongeveer zevenhonderd meter verder leidde, organiseerde hij persoonlijk een verdediging. [Dit was waarschijnlijk de bocht bij de huidige Hogeschool Zeeland.] Met soldaat Vivien die zich spontaan meldde en een aantal andere soldaten verzamelde hij achtergelaten wapens en munitie. De generaal was tijdens de slag aan de Somme in 1916 zwaargewond geraakt en had geen kracht meer in zijn rechterarm. Desondanks droeg hij met beide handen munitiekisten aan. Kapitein Bichon installeerde zich met een groep soldaten en een paar lichte mitrailleurs bij de sluis. Een vijand die hier overheen kon komen had de kade in schootsbereik.

Intussen naderden een Duitse pantserwagen en fietsverkenners de groep van Deslaurens. Soldaat Vivien stelde drie verkenners buiten gevecht. Zij werden door hun kameraden in veiligheid gebracht. Ook de pantserwagen trok terug. Later verscheen een tweede patrouille begeleid door een pantserwagen die direct onder vuur werd genomen. Ook Deslaurens nam met een wapen hieraan deel. Vanuit de rechterflank werd op de groep geschoten. De generaal ging met een omtrekkende beweging alleen naar de loods waar dit vuur vandaan kwam. Voor de tweede maal verjoeg soldaat Vivien met goed gericht vuur de patrouille. Toen men even later de generaal ging zoeken vond men hem dood bij een loods.50) Door zijn persoonlijk ingrijpen en opoffering kregen vijfhonderd à zeshonderd soldaten de kans om te ontsnappen.51)

De Duitsers drongen door tot dicht aan de kade. Bichon probeerde bij de generaal te komen, maar zag dat de Duitsers zijn verdediging al waren gepasseerd. Hij ging aan boord van een Chasseur, waar de Duitse kogels tegen het metaal tikten. Toen het schip zich van de kade verwijderde kon de Chasseur de vijand van repliek dienen met al zijn mitrailleurs en het 75 mm kanon. Een ander schip, de ‘Bouclier’ van kapitein Charles de la Fournière, probeerde aan te meren. Terwijl hij mannen op de kade toeriep om de lijnen aan te nemen, doorboorde een kogel zijn beide wangen. De mannen die hij om assistentie vroeg waren Duitse soldaten.52) Het was rond 22.00 uur en bijna donker. De Franse expeditie op Walcheren en Zuid-Beveland was beëindigd.

17 mei – Terug naar Duinkerken

Terwijl de restanten van het 271e Régiment d’Infanterie zich terugtrokken op Walcheren, naderde de goederentrein hippomobile de Nederlandse grens. In de ochtend van 17 mei arriveerde de colonne in Boekhout (circa drie kilometer zuidelijk van Philippine), waar men zich bij het regiment dacht te kunnen voegen. Maar er was geen soldaat te zien, wel angstige burgers die alarmerende geruchten wisten te vertellen. De Franse troepen aan de overkant zouden zijn weggevaagd. Het verre gebulder van kanonnen en het geronk van vliegtuigen leek dit te bevestigen. Kapitein Latour vroeg telefonisch om instructies. De vijfhonderd man tellende goederentrein moest zich naar Watervliet begeven. Hier vingen zij de groep van kapitein Coudoux op. Op de 18e mei kwamen de geëvacueerden uit Vlissingen erbij. Van de drieduizend man van het 271e Régiment d’Infanterie waren zevenhonderd man ontkomen. Op 19 mei verplaatste de goederentrein zich naar Aardenburg, waar van de restanten drie kleine bataljons onder leiding van de overgebleven officieren en onderofficieren werden geformeerd. In België en Frankrijk waren de Duitse troepen ondertussen de Maas tussen Sedan en Namen overgestoken en zetten de opmars voort.

Op 22 mei vertrok het restant van 271e Régiment d’Infanterie zuidwaarts door België. Ze gingen samen met de twee andere regimenten van de divisie: het 241e Régiment d’Infanterie en het 270e Régiment d’Infanterie. Soms op gevorderde voertuigen, doch vaker te voet. Met tussenpozen bestookte de Luftwaffe de colonnes met bommen en mitrailleurs. De verliezen daarbij waren gering. Onderweg werden verschillende posities betrokken. Op 27 mei kreeg de hele 60e Division d’Infanterie bevel om direct naar Frankrijk te gaan. Men was verbaasd, want men had nog geen vijand gezien. Later hoorden zij dat het Belgische Leger de strijd had gestaakt. De Duitsers zetten de opmars energiek voort. De goederentrein hippomobile kon zich zo snel niet uit de voeten maken en werd door de Duitsers gevangen genomen. Ook het 241e Régiment d’Infanterie en de 270e Régiment d’Infanterie werd onder de voet gelopen. Op 29 mei kwam het restant van 271e Régiment d’ Ínfanterie in het gebied dat zij negentien dagen geleden hadden verlaten. De tocht ging in hoog tempo door. Het 2e bataljon kwam in een colonne van Engelse soldaten die naar Duinkerken trok en bereikte het nabijgelegen Bray-Dunes. Het 3e Bataljon werd bij Uxem door Duitse troepen ingehaald. Ook de regimentsstaf ontkwam niet.

Het 2e Bataljon was in Bray-Dunes vlakbij een kustbatterij die zonder ophouden schoot. En daardoor ook doelwit werd van vliegtuigen. Op zee lagen inmiddels vele schepen van alle typen en tonnages. Duizenden soldaten wachtten op het strand om geëvacueerd te worden. Door de bommen werd men bedolven onder het zand. Er vielen doden en gewonden. Men wachtte twee dagen, tevergeefs. De schepen hadden zich verwijderd, behalve die gezonken waren of in brand stonden. Bray-Dunes werd omsingeld en het restant van het 60e Division d’Infanterie gaf zich over. Een aantal soldaten van het regiment gaf het niet op. Ze liepen tot aan de schouders naar de leeg ronddobberende roeiboten en peddelden weg van de kust. Verder op zee pikte de Engelse marine hen op en zij werden in Engeland aan wal gebracht. Met andere ontsnapte Franse soldaten gingen zij twee dagen later aan boord van een schip dat hen naar Brest bracht. Daar zouden zij geformeerd en bewapend worden. Maar nog voor de wapens uitgereikt konden worden moesten zij zich aan de snel oprukkende Duitse troepen overgeven.

Cette fois, c’est bien fini, le 271e Régiment d’Infanterie a vécu. (Dit keer is het echt afgelopen, het 271e RI bestaat niet meer)

Naschrift

Na de gevechten namen groepen burgers uit Kapelle het initiatief om naar de Franse gesneuvelden te zoeken en hen te verzamelen op het kerkhof. Uit deze groepen ontstond het ‘Franse Comité’ dat gedurende de gehele oorlog met veel toewijding de Franse graven verzorgde. Het aantal gewonde Franse soldaten kan op enkele honderden worden geschat. Ze werden verzorgd op Walcheren en in Goes. Minder ernstige gevallen bracht men onder in het HBS-gebouw aan de Albert Joachimikade en de zwaargewonden in St. Joanna aan de Kloetingseweg in Goes. Hier kwam de eerder vermelde soldaat Donatien Hamon terecht. Na zijn behandeling bij dokter Gnirrep werd hij naar St. Joanna gebracht. Hij werd geopereerd aan beschadigingen aan long, milt en ingewanden. Voor zijn leven werd gevreesd en een rooms-katholieke geestelijke diende hem de laatste Sacramenten toe. Hij had veel pijn en kon zich niet bewegen, maar hij bleef in leven.

De doktoren en het verplegend personeel deden wat zij konden voor de Fransen. Ook de burgers zetten zich voor hen in. Frans sprekende dames uit de omgeving bezochten de gewonden. Zij hebben veel betekend voor de Fransen. Eén van hen, mevrouw Van ‘t Hoff, een Française getrouwd met een Nederlander, was van Rotterdam naar Zeeland gegaan toen zij hoorde dat Franse soldaten Zeeland verdedigden. Een niet ongevaarlijke reis, maar zij wilde persé helpen. Op alle manieren probeerde zij de belangen van de gewonden te behartigen. Voor Hamon heeft zij veel kunnen bereiken. Ondanks zijn slechte situatie werd hij eind 1940 overgebracht naar Maastricht in afwachting op transport naar een krijgsgevangenkamp in Duitsland. Mevrouw Van ‘t Hoff reisde met hem mee. Niet zonder problemen voor zichzelf wist zij de Duitse militaire autoriteiten te overtuigen dat krijgsgevangenschap voor hem niet de juiste oplossing was. Via België werd hij in januari 1941 naar een ziekenhuis in Nantes overgebracht. Na zestien maanden en diverse operaties mocht hij het ziekenhuis verlaten. Hij werd voor negentig procent oorlogsinvalide verklaard. De taak van mevrouw Van ‘t Hoff werd later door haar zoon Philippe overgenomen. Hij zet zich tot de dag van vandaag actief in voor de belangen van de ancien combattants (oud-strijders).

Donatien Hamon had in St.Joanna veel steun van Truus Dekker uit Wemeldinge. Zij was één van de Rode Kruis helpsters die het verplegend personeel hielp. Ze sprak Frans en hield ook tijdens en na de oorlog contact met Franse gewonden. Op 4 september 2005 waren Truus Dekker, de heer en mevrouw Van ‘t Hoff en de schrijver van dit artikel aanwezig bij het oorlogsmonument in Chateaubriant. Op die dag werd temidden van driehonderd porte-drapeaux de onderscheiding Légion d’Honneur uitgereikt aan de bijna negentigjarige ancien combattant Donatien Hamon. Na de plechtigheid was er een diner temidden van zijn kinderen en (achter)kleinkinderen. Gevraagd hoe hij over la Hollande dacht gaf hij een eerder gegeven antwoord: ‘Je pense que je suis de sang français et de coeur hollandais parce que j’ai été très bien soigné et entouré’ (Ik denk dat ik Frans bloed heb en een Hollands hart omdat ik zo goed ben verzorgd en opgevangen).

 

Einde deel 7