De Franse Slag: deel 6

De gevechten in Kapelle

Het verkenningspeloton van de gewonde luitenant Colin beveiligde de oostrand van het dorp. Bij de boerderij van de weduwe Wisse Nijsse in de Maalstede vond men later zes gesneuvelde Fransen. Een van hen was een luitenant van bijna twee meter lang. Hij had veel geld in zijn jas en was waarschijnlijk de betaalmeester.37) Op sommige plaatsen in het dorp werden vanaf 09.00 tot ongeveer 16.00 uur gevechten geleverd. Een aantal burgers was niet geëvacueerd. De angst om onder het puin van hun eigen huis te worden bedolven deed velen van hen besluiten een schuilplaats in de tuin te improviseren. Zo ook de familie Burger in de Biezelingsestraat. Door een kier van de planken deur zagen ze een SS-er met een pistool in de ene hand en een handgranaat in de andere naderen. Toen hij de deur opengooide riep iedereen, zoals afgesproken, dat hier Hollanders zaten. De SS-er gebaarde dat ze er rustig konden blijven. Het volgende zagen ze niet, maar konden het achteraf reconstrueren. De SS-er liep door naar de poort (later vond men hier het veiligheidskoord) en wierp een handgranaat in de voortuin van de buurman waar een Fransman in dekking lag. Deze raakte gewond, evenals zijn kameraad die aan de overkant achter een boom stond. De Fransman werd met zijn eigen geweer de hersens ingeslagen. Het besmeurde wapen vond men later in de tuin.38)

De familie Ageerts (vader, moeder, zoon, dochter) zaten in de solide kelder van hun huis aan het Kerkplein. Van ongeveer 09.00 uur tot 16.00 uur hoorden zij het lawaai van hevige gevechten in de straten. Op een bepaald moment vroeg moeder Ageerts: ‘Wie heeft de achterdeur dichtgedaan?’ Niemand kon het zich herinneren. ‘Jij bent de kleinste’, begon moeder met haar stopwoord tegen zoon Marcel, ‘ga jij de achterdeur dichtdoen’. Marcel ging met kloppend hart en zag dat de deur gedeeltelijk open was. Buiten werd hevig geschoten. Hij zag een stuk of vijf Fransen lopen door de achtertuin in de richting van het Kerkplein. Er werd nog heviger geschoten en hij zag een Fransman gillend voorover vallen. Heel voorzichtig om geen aandacht te trekken deed hij de deur heel zachtjes dicht en op slot. Hij is er nog steeds trots op dat hij toen zo kalm was gebleven. Buiten hoorde hij een Duitser schreeuwen: ‘Hände hoch, das Gewehr ablegen’. Kort daarna werd er geschoten. Later zag Marcel een gesneuvelde Fransman in de tuin. Bij buurman Blok lagen drie dode Fransen.39) Op het Kerkplein lagen een paar gesneuvelde Franse soldaten midden op de weg.

Het 3e Bataljon (minus) doet tegenaanvallen

Majoor Bourgon die naar Schore werd gestuurd om een beeld van de strijd te krijgen kwam niet terug. Om 09.45 uur was het majoor Périer, de regimentscommandant, duidelijk dat de toestand in Schore en bij de Vlakebruggen kritiek was. Périer gaf de commandant van het 3e Bataljon (Veillon) dat ten westen van Kapelle met twee compagnieën in reserve was de volgende opdracht:

1. Dring de vijand die zich oost van het kanaal op de rijksweg bevindt terug.

2. Herover Schore.

Veillon voerde de opdracht als volgt uit. De 10e Compagnie moest over de spoorlijn de Vlakebruggen heroveren. De 10e Compagnie zou via de rijksweg moeten optrekken en Schore ontzetten. Beide compagnieën kregen een mitrailleurpeloton onder hun bevel. Terwijl de compagnieën zich over de aangeven assen verplaatsten ontvingen ze om 10.45 uur een waarschuwing van de regimentstaf dat de vijand hen over dezelfde routes tegemoet kwam. De opdracht bleef ongewijzigd, wel moest de 10e Compagnie op het kruispunt Dijkwelseweg-Rijksweg een steunpunt inrichten met een peloton. Een peloton van de compagnie richtte dicht bij een boerderij met boomgaard het steunpunt in.

De tegenaanval van de 11e Compagnie

De 11e Compagnie (Bize) passeerde het station en kwam even verder met drie pelotons op linie. Hier was een goed schootsveld op het gat tussen Kapelle en Biezelinge. Het vierde peloton was reserve. Al snel kwam het tot een treffen en de vijand werd ernstige verliezen toegebracht. Goed gericht Frans artillerievuur belette de Duitsers een uitval vanuit Biezelinge te doen. Om 11.30 uur raakte de munitie langzaamaan uitgeput. Gebruikmakend van goede dekkingen was de vijand al tot op 150 meter genaderd. Ook werd de compagnie vanuit Kapelle beschoten. Het 1e Peloton had geen munitie meer en trok zich terug. Er dreigde een omsingeling en om 12.30 uur gaf Bize opdracht om het gevecht af te breken en naar Walcheren te vluchten. Groepen die nog munitie hadden gaven vuurdekking. Om 14.30 uur trokken ook de dekkingsgroepen terug. De Duitsers waren nu op alle grote wegen die naar Walcheren leidden. Tussen de oprukkende Duitsers doorglippend bereikten in de avond de restanten van de 11e Compagnie de Sloedam.

De tegenaanval van de 10e Compagnie

Op een Michelinkaart legde de compagniescommandant, Pétion, zijn pelotonscommandanten uit hoe hij de aanval wou uitvoeren. Het eerste doel was het kruispunt waar de weg uit Biezelinge uitkomt op de Rijksweg. Vervolgens zou afgebogen worden naar Schore. Dicht bij het kruispunt werd de opmars gestopt door hevig vuur vanaf het front en uit Biezelinge. De herovering van Schore werd hierdoor onmogelijk. De vijand was te sterk en een aanval zou niet lang uitblijven. Pétion besloot zijn compagnie gefaseerd terug te trekken naar het steunpunt. Daar was het terrein gunstiger om de vijandelijke opmars tegen te houden. Met de toegewezen mitrailleurs en enkele kanonnen van het 307e Régiment Artillerie was het steunpunt goed te verdedigen. De Duitsers konden niet dichter dan tot op tweehonderd meter naderen. Maar de kanonnen raakten door de voorraad granaten heen en verlieten het steunpunt langs de flank. Rond 13.00 uur werd een aanval uit het noorden gestopt. Salvo’s van de zware mitrailleurs troffen zeven Duitsers, die honderd meter voor het steunpunt op de grond bleven liggen. De hele middag werd over en weer geschoten. Door de Fransen echter steeds minder, om munitie te sparen.

Twee Duitse motorrijders en een auto die uit de richting Goes kwamen werden van op zeer korte afstand onder vuur genomen. Een soldaat (voorgedragen voor een onderscheiding) slaagde, ondanks hevig vuur, de tas van de Duitse officier uit de auto te halen. Deze bevatte kaarten en bevelen die pas in de namiddag van 17 mei werden verbrand. In de avond was er bijna geen munitie meer voor de Franse geweren en mitrailleurs. De toestand was hachelijk, Pétion besloot de gewonden te evacueren. Om 21.00 uur werd het sein gegeven het steunpunt te verlaten. De automatische wapens van het mitrailleurpeloton gaven een uitstekend dekkingsvuur en het terrein was gunstig voor een gedekte aftocht. De vijand zette de achtervolging niet in en de compagnie verzamelde zich in een bos negenhonderd meter achterwaarts. Dankzij het koelbloedige optreden van de groepscommandanten verloor men slechts tien man. Men besloot in het donker naar het zuiden te lopen in de hoop dat men aan de Westerschelde een boot kon vinden om naar Zeeuws-Vlaanderen te varen.40)

De regimentscommandopost in Kapelle

Vanaf 11.00 uur kwamen alleen slechte berichten van de eenheden. Tegen de middag werd duidelijk dat de tegenaanvallen van het 10e – en 11e Compagnie waren mislukt. Het 1e Bataljon was niet meer op locatie. Duitse motorrijders naderden, gevolgd door infanterie, de zuidrand van Kapelle. Majoor Périer gaf opdracht voor de terugtocht. Hij liet luitenant Jachot verkennen waar in Kapelle de Duitsers waren doorgedrongen. Luitenant Maury, de verbindingsofficier, moest met de stafwacht de aftocht dekken. Jachot sneuvelde tijdens de verkenning. Maury slaagde erin om de vijand op afstand te houden, maar hij kon niet beletten dat die van alle kanten opdrong. Met enkele soldaten kon hij doorbreken en zich bij de 10e Compagnie voegen.

16 mei-de restanten van 271e RI trekken terug op de Sloedam en Borssele

De Duitse doorbraak zorgde voor een chaotische toestand, waarin de Fransen een goed heenkomen zochten dat soms in een vlucht ontaardde. Langs de kant van de weg werden vele uitrustingstukken achtergelaten. De restanten van het 1e Bataljon en het 3e Bataljon trokken terug en ontmoetten elkaar laat in de avond in de buurt van Hoedekenskerke. In de haven was geen boot waarmee zij naar Zeeuws-Vlaanderen konden oversteken. Gezamenlijk trok men langs de zeedijk westwaarts. In de loop van de nacht van 16 op 17 mei kwamen de honderden Fransen in Borssele aan. In de haven van de Oude Kaaije troffen de Fransen een boot aan. Het was een soort hoogaars met zeil en hulpmotor. Hiermee vervoerde Cornelis Huizen uit Baarland, de eigenaar, graan en aardappels. Kapitein Coudoux van het 1e Bataljon en 150 man namen plaats in de hoogaars en vertrokken in de richting van Zeeuws-Vlaanderen. Nauwelijks vijfhonderd meter verder strandden ze op een zandplaat. Luitenant Maury bood zich aan om naar Zeeuws-Vlaanderen te zwemmen en hulp te halen. Coudoux wees het voorstel af, maar het was afgaand water en men moest nog uren wachten op het volgende tij. Hij gaf alsnog zijn toestemming en Maury vertrok, nagekeken door alle opvarenden, totdat hij niet meer te zien was. Even later zagen ze een Fransman, die niet kon zwemmen, peddelend met de armen op een plank de Westerschelde oversteken. Hij werd aan boord genomen. Bij hoog water kwam de hoogaars vlot en in de morgen van 17 mei landde Coudoux aan de zuidoever van de Westerschelde in het gebied van het 341e Régiment d’Infanterie. Het levenloze lichaam van Maury werd aan de dijk van Hoofdplaat gevonden. De hoogaars werd later drijvend in het midden van de Braakman aangetroffen. Zij werd door de gebroeders Openeer uit Hansweert teruggevaren naar de haven van Baarland.41) Ook anderen konden per boot Zeeuws-Vlaanderen bereiken. Luitenant Derrien ontsnapte ‘s nachts met vijftien man in een boot. Sergeant-majoor Mieyan scheepte 95 man in een boot en bereikte veilig de overkant.42)

Een aantal Fransen probeerde alsnog de Sloedam te bereiken. In Nieuwdorp werden ze door Duitse motorrijders gevangen genomen. De meesten bleven echter dicht bij de dijk tot ze zich aan de Duitsers moesten overgeven. Eén Fransman die probeerde te ontsnappen werd in de bil geschoten. In een ongemakkelijke houding werd hij in de zijspan van een motor naar Goes afgevoerd. In het pakhuis van Duinkerke zaten drie Franse soldaten. Ze hadden enkele vaten wijn meegenomen. Toen gevangenneming onafwendbaar werd pleegden zij de taktiek van de verschroeide aarde toe en haalden de stoppen uit de vaten.43)

Het is niet geheel duidelijk waarom de Fransen op Borssele terugtrokken. Volgens een aantal Borsselaren zouden zij bij de steiger van de veerboot Terneuzen-Vlissingen-Borssele door Franse oorlogsschepen worden opgehaald. Enkele uren nadat de Fransen als krijgsgevangenen naar Goes waren afgevoerd zag een Borsselaar inderdaad twee oorlogsschepen dichtbij de steiger varen. Er zijn geen aanwijzingen voor een geplande evacuatie in Borssele, maar het zou mogelijk zijn. De vluchtende Fransen hadden kunnen weten dat de gemotoriseerde Duitsers eerder bij de Sloedam zouden zijn. De toenmalige Sloedam was achthonderd meter lang en veertig meter breed en de enige verbindingsweg met Walcheren.

De directe omgeving van deze steiger lag bezaaid met achtergelaten uitrustingsstukken en materiaal. Voordat de Duitsers dit ophaalden maakten Borsselaren een keuze uit de begerenswaardige spullen op de dijk. Ook de man die de twee Franse oorlogsschepen had gezien, hij nam een fiets en een kijker mee. Een model met de ‘oogdoppen’ ver onder de lenzenbuis. Iemand anders die ook een Franse fiets meenam, werd door het plaatselijke bevoegde gezag gesnapt en twee weken opgesloten.44)

Een groot deel van de compagnieën die bij de Postbrug en aan de Postweg waren probeerden via Kapelle te ontsnappen. Het dorp was echter al grotendeels in bezit van de Duitsers. Op het laatste moment werden de gewonden in drie vrachtauto’s geëvacueerd. Twee chauffeurs vonden de dood, de derde slaagde er in om met grote snelheid te ontsnappen in de richting van Wemeldinge. Er was geen munitie en ook geen uitweg meer, groepen Fransen gaven zich over. In Kapelle zwierf de vijftienjarige Marcel Ageerts direct na de gevechten door het dorp. Het gemeentehuis was zwaar beschadigd, de kluis lag gedeeltelijk zichtbaar onder het puin. Hij zag onder andere bij notaris Kram en garage De Groene in de Biezelingestraat Duitse en Franse soldaten in groepen van ongeveer twintig man staan. Er was een gemoedelijke sfeer en de Fransen werden correct behandeld. Ze rookten gezamenlijk een sigaret en hij zag zelfs hoe een paar Fransen en Duitsers uit hetzelfde conservenblik aten.45)

Andere eenheden trokken langs de Oosterscheldedijk in de richting van Kattendijke. Onderweg werden ze bestookt door groepen Stuka’s, die kleine bommen in bundels van vier lieten vallen. Ze keerden daarna terug en schoten met de boordmitrailleurs. Niet veel verder werden ze opgewacht door een Duitse overmacht. Even werd overwogen om zich schietend een weg te banen. De overmacht was echter te groot en de Fransen gaven zich over.

Eén van hen was de luitenant Bourges, die lang na de oorlog schreef, dat hij gevangen genomen werd door met automatische wapens uitgeruste ‘paras’. Duitsers die enkele woorden Frans kenden zeiden: ‘La guerre, GROSS MALHEUR’ (De oorlog is een grote ramp.). Met de andere gevangenen werd hij naar Goes gebracht. Onderweg zag hij Duitse vrachtwagens met proviand en andere verzorging. Zelf had hij tussen Duinkerken en Breskens aan eigen zijde hiervan niets gezien. De Duitsers zagen er fris en geschoren uit, alsof ze die morgen uit bed waren gestapt. Ze hadden ook geschikte kleding terwijl de Franse soldaten in winterjassen liepen. Hij zei tegen hen dat ze goed uitgerust waren. De Duitsers beaamden dat en sloegen ter demonstratie een Duitse helm tegen een Franse helm. De Franse was vol deuken, op de andere was niets te zien.46)

Waarschijnlijk hadden een paar Kapellenaren de gevangenneming van een deel van de 11e Compagnie meegemaakt. De familie Wisse was geëvacueerd naar Wolphaartsdijk. Vader Wisse wilde met zijn zonen Jan en Sam op 16 mei de dieren op boerderij ‘Dijkwel’, in de Vierwegen 2, voederen. Bij Kloetinge verboden Franse of Duitse soldaten om verder te gaan naar Kapelle. Ze gingen toen binnendoor langs de ‘Paulinahoeve’ van Nieuwenhuizen. Toen ze ‘Dijkwel’ bijna hadden bereikt zagen ze daar Franse soldaten. Op hetzelfde moment rukte achter hen een groep Duitsers op en hoorden zij een vuurgevecht op de rijksweg. De Duitsers namen Wisse en zijn zonen gevangen en sloten hen op in hun eigen schuur waar al ongeveer dertig Franse soldaten waren. Jan vroeg wat er met de Fransen ging gebeuren. ‘Nur arbeiten’, was het geruststellende antwoord. Omstreeks 15.00 uur werden ze buiten opgesteld. Het erf was bezaaid met uitrustingsstukken, helmen, wapens, zakboekjes, foto’s enzovoorts. Achter elkaar liep men door de sloot, waar weinig water in stond, naar Kapelle. Sam moest over de weg een motor met zijspan duwen. Toen ze bij de boerderij van Mol kwamen werden zij vanaf de spoorwegovergang onder vuur genomen. De Duitsers schoten toen een lichtkogel af waarop het schieten ophield. De Duitsers en Fransen liepen daarna door naar Kapelle, terwijl Wisse en zijn zonen terug mochten gaan. Bij de boerderij troffen zij twee Franse soldaten aan die hun wapen en helm nog bij zich hadden. Wisse gebaarde hen in de richting van Hoedekenskerke te vluchten.47)

Gerard Ruissen was met zijn ouders op 15 mei geëvacueerd naar familie in de Langeweg in ‘s-Gravenpolder. De volgende dag fietsten zij rond 16.00 uur naar huis in de Dijkwelseweg in Kapelle om de varkens te voeren. Zij werden door een Franse soldaat dichtbij de Rijksweg aangehouden [bij het huidige ANWB-complex, dat na de oorlog werd gebouwd]. In de slootrand lagen schouder aan schouder Franse soldaten met de bajonet op het geweer, met het front naar de rijksweg. De Fransman die hen aanhield was klein van stuk en had een zwart stipje in de rechter ooghoek. Wijzend naar Dijkwel, varkensgeluiden en etensgebaren makend, probeerden zij hun bedoelingen duidelijk te maken. Het baatte niet, ze moesten door de weilanden terug. Tegen 17.00 uur waren zij ter hoogte van de T-splitsing Vierwegen-Everdijkse Bredeweg. Uit de richting Eversdijk kwamen drie door paarden getrokken kanonnen. Deze hadden een korte loop en de banden waren van ijzer. Elk kanon werd door twee lichtgekleurde paarden getrokken. Op de kar waarachter het kanon was bevestigd zaten twee Franse soldaten. De paarden kregen met de zweep ervan langs en het geheel ging in grote haast naar ‘s-Gravenpolder.48) Bij de sloot werden later enkele gesneuvelde Fransen gevonden.

Bij de Sloedam werden de restanten van de bataljons opgevangen door kapitein Gouache van het 3e Bataljon. Hij stelde ze op aan de dijk aan de Walcherse kant. Een naderende groep Duitsers werd door goed gericht artillerievuur gestopt. Om 20.00 uur nam een bataljon van het 224e Régiment d’Infanterie de verdediging over. In Nieuwland werden de restanten, aangevuld met een honderdtal nagekomen verlofgangers, in drie kleine compagnieën geformeerd. In de loop van de 17e mei verhevigden de Duitsers de aanval op de Sloedam en braken door. Om 17.30 uur gaf generaal Deslaurens opdracht om Walcheren te ontruimen. Franse marineschepen zouden de eenheden van Vlissingen naar Breskens overvaren. Voor de beveiliging van het inschepingsgebied wees hij de restanten van 271e Régiment d’Infanterie aan.

 

Einde deel 6

Comments are closed.