De Franse Slag: deel 4

De Franse Slag, de strijd van het Franse 271e Régiment dÍnfanterie , in de globale driehoek Kapelle, Hansweert, Wemeldinge.

Deel 4

14 -15 mei – De laatste voorbereidingen en schermutselingen
Achtervolgd door de Duitsers weken de Franse troepen in Noord-Brabant uit naar de Vesting Antwerpen. De SS Standarte Deutschland boog af naar Zuid-Beveland. Het was duidelijk dat de vijand bijna voor de deur stond. Majoor Périer aarzelde niet en gaf de infanterie opdracht zich in te graven, de artillerie kreeg vuuropdrachten en de twee geniecompagnieën in ‘s-Gravenpolder moesten de overgangen en mogelijke oversteekmiddelen aan het kanaal onderzoeken. De genie ging snel aan het werk. De Vlakebruggen waren onvoldoende vernield en boden de aanvallers oversteek- mogelijkheden. Een poging om ze afdoende te vernielen was niet mogelijk omdat er onvoldoende springstof was. Bij de Bonzijbrug en Postbrug werd de oever waar de draaibrug aan vijandszijde aansloot opgeblazen. De afgemeerde binnenschepen aan de oostelijke oever konden door de vijand als dekking of oversteekmiddel worden gebruikt. Ze werden daarom naar de haven gebracht of afgezonken.
In Wemeldinge stelde luitenant Bourges zijn Hotchkiss zware mitrailleurs op langs de kanaaldijk en tegenover de sluis. De laatste positie was ongunstig, een Hotchkiss was bedoeld voor schootsvelden van tweehonderd à vierhonderd meter en hier was de afstand iets meer dan vijftig meter. Eigenlijk zou hier een lichte mitrailleur volstaan, maar daarvan had men er te weinig. Om de oever aan vijandszijde beter te kunnen zien richtte hij een waarnemingspost in op de zolder van een verlaten huis. De soldaten hadden honger, bij vertrek uit Zeeuws-Vlaanderen was een rantsoen uitgereikt. Daarbij was de fourier niet erg genereus geweest. Een half rondbrood, een blik sardines, een reep chocolade, een blik leverpastei en een veldfles wijn. Hier moest men drie dagen van leven. Gelukkig kregen zij eten van de inwoners van Wemeldinge. Toen Bourges lopend over de dijk het peloton inspecteerde wenkten overal mensen vanuit de voortuin om te komen eten: ‘Kom, kom’ (‘Viens, viens’.) De inwoners werd geadviseerd het dorp te evacueren, maar niemand wilde zijn huis verlaten. Totdat een Duits vliegtuig een paar bommen liet vallen die met het nodige lawaai explodeerden. Niet lang daarna kwamen de inwoners met wagens, fietsen en kinderwagens te voorschijn en verlieten het dorp. Nu waren de Fransen alleen.

In de avond kwamen drie Franse oorlogsschepen geruisloos ter hoogte van Wemeldinge. De Chasseurs no. 6, – no. 9 en – no. 41 zullen majoor Bouvier met hun 75 mm kanonnen vuursteun verlenen. Een Nederlands schip dat niet antwoordde op de herhaaldelijke vraag: ‘Bent u vriend of vijand?’ werd beschoten en zonk. In de nacht werd Wemeldinge onophoudelijk door mortieren en artillerie onder vuur genomen. De stukken van 307e Régiment d’Artillerie en de Chasseurs beantwoordden het vuur. In de vroege ochtend hadden de Chasseurs alle munitie verschoten en ze vertrokken. Ondanks de angstaanjagende aanvallen van de Stuka’s en het artillerievuur waren de verliezen in Wemeldinge gering.

De verdediging van de Postbrug was de verantwoordelijkheid van de 6e Compagnie. In de omgeving van de brug waren tweehonderd tot driehonderd Franse soldaten gelegerd. Bij de boerderij van de familie Op ‘t Hof aan de Teekenburgseweg, vijftienhonderd meter ten westen van de brug, bevonden zich circa tien soldaten. In de hoogstamboomgaard stonden drie kanonnen die gericht waren op het kanaal. Terwijl genisten op de geopende Postbrug voorbereidingen troffen voor de vernieling naderde de vijand op de fiets en op de motor vanuit Yerseke. Onmiddellijk opende de artillerie het vuur waarop de vijand zich in het zijterrein verspreidde en langzaam maar zeker de brug naderde. Daar plaatsten zij een mitrailleur in het brugwachtershuis vanwaar zij de hele overkant konden bestrijken. Het vuur veroorzaakt vrij ernstige verliezen bij de 6e – en 7e Compagnie. De Hotchkiss zware mitrailleurs die de brug in hun vuursector hadden kregen storing, die niet verholpen kon worden. De Duitse mitrailleur was onaantastbaar. Op de brug konden de genisten niet vluchten en ze zochten dekking achter de kolom van het draaimechanisme. Pas bij invallen van de duisternis konden zij zwemmend de eigen oever bereiken. Intussen had majoor Bouvier opdracht gegeven een tweede lijn achter de 6e Compagnie te vormen. De artillerie moest de Duitse mitrailleur uitschakelen. De regimentsstaf vroeg hij om versterking en hij informeerde of zijn voertuigen in de goederentrein al gearriveerd waren. Op het laatste werd ontkennend geantwoord.

De Vlakebruggen werden verdedigd door de 1e Compagnie van luitenant Thibault. Eerder had hij een andere positie moeten innemen en na order en tegenorder werden het uiteindelijk de Vlakebruggen. Deze waren onklaar gemaakt, dat wil zeggen de beweegbare brugdelen waren in geopende (verticale) toestand geblokkeerd en de brugdekken vernield, maar onvoldoende. Over de vernielde spoorbrug zou infanterie kunnen passeren. De genie onderzocht een mogelijkheid om de brug meer afdoende te vernielen, maar er was onvoldoende springstof aanwezig. Thibault constateerde een paar andere nadelen in zijn opstelling. Zijn compagnie lag aan het kanaal links en rechts van de rijksweg, die schuin omhoog liep naar de brug. Hierdoor kon Thibault vanuit zijn achterwaarts gelegen commandopost slechts twee van zijn vier pelotons overzien. Zijn vakbreedte aan het kanaal was achttienhonderd meter. Er was een gat van duizend meter met de 6e Compagnie in het noorden. In het Zuiden was een gat van vijfhonderd meter tot de 1e Compagnie. Met de 2e Compagnie in Schore kon hij helemaal geen contact maken. In de morgen lieten Stuka’s hun bommen vallen op de compagnie en draaiden terug om de aanval met de boordmitrailleurs voort te zetten. De aanhoudende luchtaanvallen maakten weinig verliezen. Wel was het een angstaanjagende ervaring, die menigeen een gevoel van machteloosheid gaf. Het uitblijven van de eigen luchtsteun was fnuikend voor het moreel. Ook bij de andere eenheden.

Bij de 3e Compagnie van luitenant Dignimont bij Hansweert was het betrekkelijk rustig. De pelotons waren langs het kanaal en bij de sluizen opgesteld. Om 08.30 uur verschenen plotseling Duitse troepen op de oostelijke oever. Het hevige vuur van de Fransen noodzaakte de vijand dekking te zoeken. Ze schoten lichtkogels af. Niet lang daarna gierden de 105 mm granaten op het dorp. Een aantal huizen werd totaal vernield, andere stonden in brand. De aanval werd niet voortgezet, maar later werd de compagnie toch van achter beschoten. Dignimont plaatste een peloton aan de westrand van het dorp om dit gevaar te keren.

15 mei – Voorbereidingen en voorboden van de strijd

Terwijl de infanteriebataljons zich ingroeven, hield de genie zich bezig met het voorkomen dat de vijand gebruik kon maken van de overgangen en overgangsmiddelen bij het kanaal. De aangemeerde schepen aan de westoever werden naar de haven gebracht of men liet ze zinken. In Wemeldinge werd de scheepvaart gestaakt en de sluisovergangen werden met hindernissen van prikkeldraad ontoegankelijk gemaakt. De burgemeester gaf hiervoor zijn medewerking nadat majoor Bouvier hem met arrestatie had bedreigd. Intussen verplaatste de Nederlandse bezetting van de Zanddijkstelling zich achterwaarts na de bekendmaking van de capitulatie. Verbaasd en niet begrijpend keken de Fransen toe hoe de Nederlandse soldaten met een roeiboot het kanaal overstaken. Dit sterkte hun zelfvertrouwen niet. Maar in Wemeldinge werd men verblijd met de komst van de Chasseurs no. 6, – no. 9 en no. 41. Deze Franse onderzeebootjagers zouden het regiment met hun 75 mm kanonnen vuursteun verlenen op doelen langs het kanaal. Laat in de middag had de verdediging alles wat in het vermogen lag in gereedheid gebracht. Het werd hoog tijd dat kapitein Champy arriveerde. De Duitse luchtmacht was meester in de lucht en trad steeds agressiever op. De 5e Compagnie in Wemeldinge werd met bommen en mitrailleurs bestookt. Gelukkig vielen er slechts enkele gewonden. Cornelis Dagevos die aan de Bonzijweg in Wemeldinge woonde beleefde de aanvallen als volgt. ‘In de omgeving van ons huis en de Oranjeboomstraat waren veel Franse soldaten. Ze werden door twee Stuka’s met zeven of acht bommen bestookt. Ze vielen dicht bij ons huis, op de meestoof en het huis van Hubrecht Nieuwenhuizen, de gepensioneerde veldwachter, even verderop in de Oranjeboomstraat. De schade was enorm, maar er vielen geen slachtoffers. Dat laatste waarschijnlijk doordat al veel mensen waren geëvacueerd naar Wolphaartsdijk. De Fransen waren oudere reservisten, maar waren fanatiek en zij wilden wel vechten. Dicht bij ons huis stond een luchtdoelmitrailleur op affuit. Ze schoten op de vliegtuigen en stonden te stampvoeten als ze geen succes hadden

In Zeeland werden geen Duitse parachutisten ingezet, maar niettemin werden er vele gemeld. Het 3e Bataljon rapporteerde een ‘parachutistenlanding’ in de richting van Goes. Patrouilles gingen op zoek en keerden vermoeid en onverrichter zake terug. Maar de volgende dag kon luitenant Hernandez twee van ‘hen’ op vijfhonderd meter van de commandopost van het 2e Bataljon gevangen nemen. De angst voor parachutisten en de pogingen om ze op te sporen kostte veel energie. De 6e – en 7e Compagnie kregen ook luchtaanvallen te verduren. Even later zagen ze Duitse motorrijders en soldaten op de fiets de Postbrug naderen. Een batterij van 307e Régiment d’Artillerie opende het vuur, waarop de vijand zich verspreidde en gedekt naar het kanaal gingen. Bij het brugwachtershuis installeerden ze een mitrailleur. Die bestreek niet alleen de Postbrug waar de Franse genisten bezig waren, maar ook de gehele westoever. Iedere zichtbare beweging werd met een salvo afgestraft en veroorzaakte ernstige verliezen bij beide compagnieën. De eigen mitrailleurs konden geen vuur uitbrengen, ze waren defect door het opwaaiende stof van de bomexplosies. De artillerie werd gevraagd de mitrailleur uit te schakelen. Bij de 3e Compagnie bleef het rustig tot 08.30 uur. Een detachement Duitsers vertoonde zich aan de oostelijke oever. Zodra de Fransen het vuur openden gingen ze in dekking. De Duitsers schoten een lichtkogel af, niet lang daarna volgde een zware artilleriebeschieting. Enkele huizen werden zwaar beschadigd, andere vlogen in brand.
In zijn commandopost in Kapelle ontving majoor Périer de meldingen van zijn bataljons. Hij liet de gevraagde geweer- en mitrailleurmunitie opvoeren. Het werd hem duidelijk dat de hoofdaanval op het kanaal zou worden gericht. Hij besloot een tweede lijn te vormen met het 3e Bataljon. Hij gaf opdracht om de 9e – en 10e Compagnie een locatie ten westen van Kapelle te laten innemen. De twee compagnieën hadden in de vorige nacht al flinke afstanden moeten lopen. Ze kwamen dan ook uitgeput om 16.30 uur op de aangegeven locaties aan. De 11e Compagnie zou op een later moment volgen.

De nacht van 15 -16 mei

De nacht van 15 op 16 mei verliep zeer onrustig. Aan beide kanten werd hevig geschoten. Zowel de Duitse als de Franse artillerie zetten de beschietingen van overdag onverminderd voort. Achter de Franse verdediging schoten bijna overal lichtkogels omhoog. De goed verborgen ‘parachutisten’ waren bezig. Tegenover de 7e Compagnie probeerden de Duitsers een overgang te forceren. De poging werd door goed gericht vuur van de Chasseurs verijdeld. Dicht bij de Postbrug stonden plotseling twee huizen aan de westoever in brand. Ook een schuur op de andere oever ging in brand. Op dit moment nam kapitein Soyer met een detachement van het 68e Groupement de Reconnaissance de Division d’Infanterie geruisloos een opstelling in op één kilometer zuidwestelijk van Wemeldinge. Toen hij gereed was rapporteerde hij zijn positie aan Bouvier. Terwijl Soyer bezig was kreeg de 9e Compagnie van Le Goff opdracht om het kruispunt ten westen van de Postbrug een tweede lijn te vormen achter de 6e Compagnie. Hiervoor kreeg hij twee pelotons motorrijders en een mitrailleurpeloton van de 68e Groupement de Reconnaissance de Division d’Infanterie onder bevel. De 10e Compagnie en de 11e Compagnie werden als reserve gehouden ten westen van Kapelle. De heer Rouw, wiens boerderij door de Fransen werd gevorderd, verbleef deze nacht op de boerderij van zijn broer, eveneens aan de Spaartweg. Omstreeks 01.00 uur kwam een Duitse soldaat in een gevlekte camouflagejas aan de deur. Hij had een helm op en enkele steelhandgranaten bij zich. De soldaat was niet groot en beefde over zijn hele lichaam. Hij vroeg om water en wilde weten hoe laat het was, waarna hij snel verdween. Beide broers dachten dat hij een parachutist was die in de braamstruiken terecht was gekomen. Later merkten ze dat veel prikkeldraad in de weilanden was doorgeknipt.

In het vak van de 7e Compagnie deed de vijand een poging om het kanaal over te steken. Goed afgegeven vuur van de Franse artillerie verijdelde de oversteek. Het werd duidelijk dat de aanval op het kanaal zou worden gericht. Versterkingen werden naar voren gebracht. Achter de 7e Compagnie nam een detachement van de 68e Groupement de Reconnaissance de Division d’Infanterie onder commando van kapitein Soyer een opstelling op één kilometer ten zuidwesten van Wemeldinge. Hij meldde majoor Bouvier dat hij op de bevolen positie was aangekomen. De compagnieën van het 3e Bataljon aan de Oosterschelde-oever kregen nieuwe opdrachten. De 9e Compagnie van kapitein Le Goff moest de 6e Compagnie steunen. Versterkt met twee pelotons motorrijders en een mitrailleurpeloton van de 68e Groupement de Reconnaissance de Division d’Infanterie zette het geheel zich in beweging naar het kruispunt westelijk van de Postbrug, dat Le Goff op een Michelinkaart kreeg aangewezen. In de pikdonkere nacht liepen de eenheden naar hun nieuwe bestemming. Ze waren moe van het lopen in de afgelopen dagen en het slaaptekort. In de wirwar van wegen verdwaalden enige pelotons. Tussen 04.00 en 08.00 uur van de 16 mei dacht Le Goff bij het bevolen kruispunt te zijn gearriveerd en stelde zijn compagnie links en rechts van de weg op. In de lucht kwamen steeds meer Duitse vliegtuigen. Geallieerde toestellen werden niet gezien.